Met hoeveel spaargeld en beleggingen ga je het nieuwe jaar in? Voor de Belastingdienst is dat geen bijzaak, maar de basis voor je belastingaangifte. Eén specifiek moment bepaalt namelijk hoeveel belasting je betaalt over je vermogen. Hoe zit die exacte peildatum voor box 3 in elkaar, welk tijdstip telt en waar moet je op letten bij een tweede woning of hypotheek?
Door:
Auteur
Auteur
De valt elk jaar op .
De Belastingdienst berekent de hoogte van de te betalen uitsluitend over de waarde van je spaargeld, beleggingen en schulden op dat specifieke meetmoment.
Wijzigingen in je vermogen vanaf 2 januari hebben op de belastingheffing over dat lopende jaar.
Voor een tweede woning in is de met peildatum 1 januari van het belastingjaar bepalend.
De peildatum is de vaste datum waarop de Belastingdienst de omvang van je vermogen vaststelt. Binnen het Nederlandse belastingstelsel gebruikt de Belastingdienst dit moment als een momentopname.
Voor box 3 geldt dat de fiscale waarde van al je bezittingen en schulden wordt gemeten op 1 januari om 00:00 uur.
Wat er gedurende de rest van het jaar met je geld gebeurt (of je nu € 10.000 opneemt in februari of € 50.000 stort in juli) verandert niets aan de belastinggrondslag van dat jaar. Je betaalt box 3-belasting over de stand van zaken op die specifieke datum.
De Belastingdienst telt op 1 januari de waarde op van al je bezittingen in box 3. Hieronder vallen onder meer:
Bank- en spaartegoeden (zowel in Nederland als in het buitenland)
Beleggingen, aandelen en obligaties
Een tweede woning of vakantiewoning
Contant geld boven de vrijstellingsgrens
Van dit totale bedrag mag je eventuele schulden (boven de drempel) en het heffingsvrij vermogen aftrekken.
Heb je bijvoorbeeld op 1 januari 2026 een totaalvermogen van € 100.000 aan spaargeld en € 50.000 aan beleggingen, dan vormt die € 150.000 het vertrekpunt voor je aangifte over 2026 (die je indient in 2027).
Als je op 5 januari € 30.000 van je spaarrekening haalt om te investeren in een verbouwing, blijft de fiscale grondslag voor dat jaar toch € 150.000.
Omdat beleggingen zwaarder worden belast dan spaargeld, kan het aantrekkelijk lijken om vlak voor 1 januari beleggingen te verkopen, het geld tijdelijk als spaargeld aan te houden en na de peildatum opnieuw te beleggen.
De Belastingdienst heeft hiervoor de anti-arbitrageregeling ingevoerd om dit soort peildatumarbitrage tegen te gaan.
Als je binnen een periode van drie maanden (drie maanden vóór tot drie maanden na 1 januari) beleggingen omzet in spaargeld en vervolgens weer terugschuift naar beleggingen, negeert de Belastingdienst deze tijdelijke verplaatsing.Het vermogen wordt in dat geval toch als belaste belegging meegenomen in box 3, tenzij je aantoont dat er zakelijke of niet-fiscale motieven aan de transactie ten grondslag lagen.
Bij vastgoed en hypotheken geldt een belangrijk onderscheid tussen de eigen woning (box 1) en overige bezittingen (box 3).
Voor je hoofdverblijf geldt de WOZ-waarde die de gemeente heeft vastgesteld. De waardepeildatum voor de WOZ-beschikking ligt altijd op 1 januari van het voorgaande belastingjaar. Voor de belastingaangifte die je in 2026 doet (over 2025) gebruikt de Belastingdienst dus de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2024.
Bezit je een tweede woning, een vakantiehuis of een pand voor de verhuur? Dan valt dit vastgoed in box 3. Ook hiervoor hanteert de Belastingdienst de WOZ-waarde. Voor een box 3-object geldt de WOZ-waarde met als peildatum 1 januari van het belastingjaar zelf.
Schulden die direct verband houden met vastgoed in box 3 vallen eveneens onder het box 3-regime.
De stand van deze schuld op 1 januari om 00:00 uur bepaalt welk bedrag je mag opnemen als schuld in je aangifte.
© 2026 Raisin SE, Berlin