Voor fiscaal jaar 2026 (waarover je in 2027 aangifte doet) bedraagt de vrijstelling € 59.357 voor alleenstaanden (of € 118.714 voor fiscale partners die gezamenlijk aangifte doen). Dit wordt ook wel de belastingvrije voet genoemd en tot dit bedrag kun je dus belastingvrij sparen en/of onbelast beleggen. Het vermogen boven deze grens is wel belastbaar en hier betaal je dus vermogensrendementsheffing over.
De vrijstelling én de eerdere vrijstellingen die we al noemden in dit artikel, verlagen je grondslag sparen en beleggen. Bij het vaststellen van deze grondslag neem je alle bezittingen die in box 3 vallen. Dat is het geld dat op je lopende rekening(en) staat, je spaarbedragen en de waarde van je beleggingen op 1 januari van het jaar waarover je aangifte doet. Hier trek je je schulden die boven de schuldendrempel vallen vanaf. En van dit bedrag trek je vervolgens de vrijstellingen af.
Tot en met 2021 werd er uitsluitend gebruik gemaakt van het oude belastingstelsel waarbij met drie belastingschijven gewerkt werd, vergelijkbaar met box 1. Mensen met meer vermogen betaalden een hoger percentage belasting. Dit stelsel bleek te oneerlijk te zijn voor mensen die relatief veel spaarden en weinig belegden. Mensen die relatief veel beleggingen hadden (zoals aandelen) en overige bezittingen (zoals vastgoed in de vorm van een tweede woning of garagebox), kwamen toen gunstiger uit.
In het overgangsstelsel, dat sinds 2022 en tot minstens 2027 van toepassing is, wordt spaargeld een stuk lichter belast dan beleggingen dan voorheen. Het fictieve rendement dat behaald kan worden met beleggingen, is immers ook hoger dan op spaargeld. Eerst wordt echter het gemiddelde rendement op vermogen (spaargeld en beleggingen bij elkaar opgeteld) berekend. Daarover betaal je uiteindelijk vermogensbelasting (in 2026 is dat 36%). In 2022 mocht je zelf bepalen welk stelsel het meest gunstig voor je was: het oude of het nieuwe stelsel. Sinds 2023 geldt alleen nog het nieuwe stelsel.