
Home › Box 3 belasting › Vruchtgebruik woning box 3
Bij vruchtgebruik wordt een
Vruchtgebruik van een woning komt het vaakst voor wanneer een partner van een overleden persoon
Bij het berekenen van vruchtgebruik wordt het tussen de ‘bloot eigenaar’ en de vruchtgebruiker.
In , de verdeling is onder andere afhankelijk van de leeftijd(en) van de vruchtgebruiker(s).
Vruchtgebruik is ieder gebruik van een goed dat niet jouw eigendom is. Zo kun je bijvoorbeeld het recht hebben om te rijden in een auto van iemand anders. Je plukt de vruchten van een goed, zonder aanspraak te mogen maken op dat goed zelf. Je plukt als het ware de vruchten van een boom, maar de boom blijft in het bezit van een ander.
Vruchtgebruik kan plaatsvinden door verjaring en door vestiging. Verjaring komt in de praktijk vrijwel nooit voor. Daarom gaan we in dit artikel alleen op vestiging in.
Vestiging van vruchtgebruik houdt in dat het recht op vruchtgebruik door de eigenaar gegeven aan iemand wordt toegekend. Dit kan bij leven of in een testament zijn.
Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat ouders gedurende hun leven het vruchtgebruik op een woning overdragen aan een kind.
Een ander veelverkomend voorbeeld is het vruchtgebruik van een echtgenoot. In dit geval draagt één echtgenoot het vruchtgebruik over op de andere echtgenoot bij overlijden. Het blijft echter zijn of haar bezit. Zodra de andere echtgenoot overlijdt, gaat het eigendom over aan de kinderen van de andere, reeds overleden echtgenoot.
Vruchtgebruik levert een interessante belastingvraag op. Want tot wiens vermogen behoort de woning nu eigenlijk? Aan de ene kant is een woning eigendom van de bloot eigenaar; de (rechts)persoon die bezit heeft maar geen recht van gebruik. Aan de andere kant plukken de vruchtgebruikers hier de vruchten van.
Het onderstaande rekenvoorbeeld verduidelijkt hoe je zelf het vruchtgebruik op kunt geven in box 3 en hoeveel belasting je uiteindelijk betaalt. Dit rekenvoorbeeld is van toepassing op fiscaal jaar 2026, waarover je in 2027 aangifte doet.
Een alleenstaande zonder schulden, met € 30.000 aan spaargeld op 1 januari 2026, heeft bloot eigendom van de vakantiewoning van zijn overleden vader. Zijn schoonmoeder heeft nog het recht om het huis te kunnen blijven gebruiken.
De WOZ-waarde van de woning ligt op € 300.000. De schoonmoeder was op 1 januari 2026 63 jaar oud. Op basis van de leeftijd op de peildatum, bepaalt de Belastingdienst welke vermenigvuldigingsfactor van toepassing is.
Volgens de tabel is er dus een vermenigvuldigingsfactor van 11 van toepassing (63 minus 11 is 52 jaar). De waarde van het bloot eigendom bedraagt in dit geval € 300.000 - (6% × 11 × € 300.000) = € 102.000. Dit wordt opgegeven onder de “overige bezittingen”.
Samen met het spaardeel van € 30.000 komt het uiteindelijke vermogen zo uit op € 132.000. Hier wordt de vrijstelling van € 59.357 (in 2026) vanaf getrokken. De grondslag sparen en beleggen bedraagt voor deze persoon dan € 72.643. Bij het berekenen van het rendement wordt het bloot eigendom zwaarder belast (op basis van fictief rendement van 6,00%) dan het spaardeel (op basis van een voorlopig fictief rendement van 1,28%).
© 2026 Raisin SE, Berlin